Samen TamTam maken in ons weblog?

Roffel op de trommel

Tamtam
Met trommelgeroffel verhalen en portretten aankondigen. Is dat nodig, zoveel tamtam? Ja, wij vinden van wel. In onze samenleving verliezen mensen steeds meer hun, naam, gezicht en eigenheid. Vervreemding ligt op de loer. Namen worden vervangen door burgerservice nummers.
Pasfotogezichten plooien zich volgens strakke richtlijnen. En doelgroepenbeleid laat nauwelijks ruimte voor eigenheid.

Wanneer je, wit, gezond, mobiel, opgeleid, arbeidsproductief en welbespraakt bent, loopt het allemaal zo’n vaart nog niet. Midden in de stroom van het leven zijn er kansen genoeg om jezelf te laten zien op een manier die je past.

Maar hoe zit het wanneer je buiten beeld raakt doordat je niet (meer) mee kunt komen op de stroom? Waar blijf je dan als mens? Wat blijft er van je over? Wie zie je nog, en hoe word je gezien?

Wanneer vervreemding dreigt, worden verhalen en portretten van levensbelang. Ze vergroten de kans op betrokkenheid. En vanuit betrokkenheid vinden waardevolle ontmoetingen plaats die met geen cijfer zijn uit te drukken.

Benieuwd naar het weblog van onze verhalentrommel waarin persoonlijke verhalen, foto’s, columns, gedichten en citaten de boventoon voeren?
Geef een roffel op de verhalentrommel!

Beeldspraak
Op zoek naar een verhaal dat tot de inclusie verbeelding spreekt?

4. De mislukte fee

5. Credo

 

   

De kruik die stuk was

Een waterdrager moet elke dag voor zijn meester naar de rivier om water te halen.
Aan weerszijden van zijn lichaam hangt een kruik aan een houten juk.
De ene kruik is zo goed als nieuw, puntgaaf en zonder lek, de andere kruik is oud en gebarsten en verliest permanent water.
Bij thuiskomst blijkt de gebarsten kruik keer op keer nagenoeg leeg te zijn en dat doet de oude kruik veel verdriet.
Op een dag kan hij het niet meer voor zich houden en zegt tegen de waterdrager: ‘meester ik schaam me zo’.
’Maar waarom dan toch’, vraagt de waterdrager.
’Omdat ik niet in de schaduw van uw andere kruik kan staan. Hij levert dagelijks de volle inhoud water af, terwijl ik onderweg steeds water verlies.’
‘O, maar dat wist ik immers al lang’, antwoordt de waterdrager. ‘En toch heb ik je al die tijd graag willen gebruiken. Zijn die mooie bloemen langs de weg je dan niet opgevallen? Ze groeien alleen maar aan jouw kant. Enige tijd geleden heb ik daar zaad uitgestrooid, jij hebt ze elke dag begoten en nu kan ik steeds een prachtig boeket plukken voor mijn heer.’
Een tijdje komt er geen antwoord van de gebarsten kruik, zo heeft hij het nog nooit bekeken. Hij heeft die bloemen wel zien groeien, maar dat zijn meester hem bewust in dienst heeft gehouden en dat hij hem ondanks alle gebreken toch kan gebruiken, dat was nog nooit bij hem opgekomen.

naar boven

De geluksteen
‘geluk kun je samen vinden’

Op basis van het sprookje "de soepsteen" voorgelezen op de internationale dag van de mensenrechten.

Lang geleden in een land hier ver vandaan maar misschien ook wel gisteren in een stad heel dichtbij, liep er een man over een lange brede weg. Hij had als soldaat gediend in het leger van de koning, of misschien was het de sultan. De oorlog was voorbij, de vrede getekend en iedereen zou weer aan het dagelijkse leven kunnen beginnen.

De soldaat was op weg naar huis. Een lange reis voerde hem langs plekken waar hij nog nooit geweest was. Onherbergzame streken, grote zandvlaktes, rotsblokken en hier en daar een plukje huizen links en rechts van de grote weg. Tot zijn verbazing zag de man dat zich tussen de verschillende nederzettingen geen wegen bevonden.Er liepen alleen paden vanaf de nederzettingen naar de grote weg.

De mensen die hij tegenkwam, maakten een trieste indruk. Wanneer hij vriendelijk groette, werd zijn groet nooit beantwoord. Hij merkte dat de mensen, die hem altijd in groepen passeerden, ook elkaar niet groetten. Hoe meer hij naar de voorbijgangers keek, hoe vreemder het hem allemaal toescheen. Op het eerste gezicht hadden het allemaal gewone mensen geleken. Maar na een poosje zag hij dat de groepen onderling weliswaar verschilden maar dat de mensen binnen één groep verdacht veel op elkaar leken. Ze droegen allemaal dezelfde kleren en hadden allemaal dezelfde haardracht. De huizen hadden per groep eenzelfde vorm en kleur. Op de landerijen naast de huizen groeide steeds één soort groente. Hij zag bij de huizen met groene daken mensen met groen haar en groene kleding. De manden die ze droegen waren gevuld met boerenkool. Naar welke groep hij ook keek; alle mensen zagen er moe en mager uit. Hun huizen waren, geen groep uitgezonderd, vervallen. Het land, hoewel er gewassen groeiden, lag er op de een of andere manier overal kaal en mistroostig bij.

Het werd drukker langs de weg en de soldaat vermoedde dat hij spoedig in een stad zou belanden. Eenmaal aangekomen bleek ook daar iets vreemds gaande. De stad bestond uit wel vier, vijf, zes verschillende stadjes. Groepjes huizen op kleur bij elkaar. Lege winkeltjes en werkplaatsen. Dat wat ooit een stadsplein geweest moest zijn, lag er nu verlaten en stoffig bij.

De soldaat had een lange reis achter de rug en moest nog ver gaan. Hij zocht zich een plaats om uit te rusten en hoopte wat te eten te vinden. Zijn oude soldatentas was leeg, hij had honger. Hij durfde niet zo goed om eten te vragen want hij had al lang gezien dat de mensen het hier zelf ook niet breed hadden. Bovendien, wanneer hij op iemand af liep, liep die persoon snel en schichtig door.
De soldaat ging midden op het plein zitten. Hij keek om zich heen en voelde de warmte van de zon die stralend aan de hemel stond. Terwijl hij zat te peinzen, zag hij vanuit zijn ooghoeken een paar kinderen schoorvoetend het plein opkomen. Heel voorzichtig kwamen ze dichterbij. In de ogen van de kinderen zag hij wat hij in de ogen van de grote mensen gemist had: ze leken wel nieuwsgierig. Zonder één woord te zeggen stopten de kinderen een paar meter voor hem en gingen op de grond zitten. Ze spraken niet met hem en zeker niet met elkaar. Het waren groene, rode, gele, witte en oranje kinderen.

De soldaat verbrak de stilte en sprak één van de kinderen aan. Ze had oranje haar. Hij zei: "ik heb honger, hebben jullie misschien iets te eten voor mij?" "Wij eten wortelen want die zijn van ons.”antwoordde het meisje. “We geven nooit iets aan andere mensen." De andere kinderen antwoordden op precies dezelfde manier. Ze aten of prei,of tomaat of ui. Meer niet. Geen van de kinderen kon de soldaat iets te eten aanbieden.
Op een afstand stonden volwassenen te kijken naar het oploopje dat op het oude stadsplein was ontstaan. Ze keken argwanend naar de soldaat. De soldaat man keek van de mensen naar zichzelf en begreep hun argwaan. Met zijn, groene broek, rode jas, witte sjaal en oranje pet viel hij behoorlijk uit de toom.

De soldaat bergreep dat de kans op een volle maag gering zou zijn wanneer hij niets ondernam. Hij verzamelde moed, ging op een bankje staan en sprak: "beste mensen, ik kom van ver en ik heb honger. Ik zie dat jullie dat ook hebben. In mijn soldatentas heb ik een bijzondere steen. Ik heb hem onderweg gekregen van een oude wijze man die mij vertelde dat daar waar de zon schijnt er altijd een plek te vinden is waar geluk kan komen. "Gebruik de steen op een plek waar geluk ver te zoeken lijkt" heeft de oude man mij gezegd. Ik heb nagedacht en geloof dat ik op dit zonnige plein met deze steen een pan soep kan maken voor iedereen! De soldaat hield de steen omhoog, zag dat de mensen hem niet vertrouwden maar hij sprak rustig door. "Heeft iemand een pan voor me?"Eén van de kinderen maakte zich los uit de groep, rende langs zijn vader en zijn moeder naar huis en kwam terug met een grote pan. Een ander kind haalde water uit het beekje dat langs de stad met stadjes slingerde. En een derde kind sprokkelde hout. En een vierde kind maakte daarmee een vuurtje. Het was ondertussen druk geworden op het plein. De mensen stonden onwennig in hun groepjes bij elkaar.

De soldaat deed de steen in de pan met water die langzaam begon te dampen en te koken. Met een lepel proefde hij uit de pan. "Nou, dat smaakt wel" zei hij vrolijk. "Er zou eigenlijk alleen nog een beetje zout bij moeten en dan is hij wel goed ". Eén van de kinderen keek zijn moeder aan, rende zonder iets te zeggen naar huis en kwam terug met een kommetje zout. De soldaat deed het zout in de pan, en proefde na even geroerd te hebben opnieuw. "Ach, wat bijzonder zeg, hij smaakt zo echt beter!”

”Er zou nog iets zoetigs bij kunnen". Een kind met oranje haar rende naar huis en kwam terug met een hand worteltjes. Nu nam de soldaat een lepel van het vocht en liet dat aan iemand proeven met groen haar. "Ja, dat is al heel lekker maar er zou nog iets van....." "Prei!", riep het zoontje van de fijnproever, "prei van ons". Meteen rende hij naar huis en kwam terug met een bosje groene prei. Nu waren alle mensen dicht bij de pan gekomen en iedereen proefde. En steeds klonk: "Ja, lekker, maar...." De pan werd voller en voller, en op het pleintje steeg de heerlijke damp van een geurige soep op.

"Zo, de soep is klaar!" riep de soldaat, "Nu moeten we hem nog eten!" Mannen, vrouwen en kinderen renden weg en kwamen terug met, groene lepels, gele en bruine soepkommen. Er kwam zelfs iemand terug met een tafel. Een rode tafel, blauwe stoelen, groene krukjes. Het werd steeds meer en alles werd in een prachtige kring midden op het plein neergezet. De soldaat schonk de kommen vol. Hij deed de veelkleurige soep in een groene kom, zette er een bruine lepel in en bracht die naar een oranje tafel. De mensen waren ondertussen veel vrolijker geworden. Ze liepen door elkaar en gingen ontspannen naast elkaar zitten. Iedereen begon te eten en overal kon je horen: "Oh, wat is dat lekker", "Ach wat smaakt dat goed, en dat allemaal door zo’n gelukssteen".

Iedereen smulde van de overheerlijke soep, ze hadden in geen tijden zo lekker gegeten. Ze aten met elkaar de hele pan leeg. Alleen de steen bleef over. De soldaat stond op en wilde vertrekken. "Uw steen ligt nog in de pan" riep een kind. "Die mogen jullie houden, daar kun je nog wel 1000 maal soep van koken, als je het maar doet zoals wij het nu hebben gedaan",zei de soldaat. "Dat is een echte gelukssteen" zei een jongen met rood haar tegen een meisje met blauwe ogen. Toen hij dat hoorde, lachte de soldaat. Fluitend liep hij het plein af en eenmaal buiten de stad gekomen, zocht hij een mooie ronde steen en stopte hem in zijn soldatentas.

naar boven

De karperkoning

Er was eens een karper die een poel bezat. Een groot, niet al te lekker ruikende poel. Nou ja, bezat. Er leefde gewoon weinig andere vissen. En zeker al geen karpers. En een droom, die bezat hij ook.
Hoe zag zijn droom eruit, zul je zeggen. Wel, hij droomde dat hij karperkoning was, van een mooi vennetje. Fraai gelegen in de zon en in een bosrijke omgeving. Een water waar het goed toeven was voor heel veel karpers.
Op een mooie dag, terwijl de karper zich, al dromend, in een zonnige weelde aan het baden was, zwom er een verdwaalde kikvors voorbij. Hij zag hem eerst niet, maar dat kwam door het door algen vertroebelde water.
Hij wist wel dat er kikkers bestonden, dat had hij wel eens gehoord. Maar hij had er nog nooit een gezien. Maar vooruit, de kikker zwom rond in zijn sloot, hij moest maar eens poolshoogte nemen. En zo zwom de karper op de kikker af. Hij vroeg aan de kikker: "Wat brengt jou naar mijn sloot?" En de kikker antwoordde al bluppend: "Ik woonde in een heel fijn vennetje. Totdat er een reigerfamilie aan de rand van het ven neerstreek. Blub. Toen was het er niet fijn meer. Ik heb mijn vennetje gelaten voor wat het was en ben weggegaan. En nu ben ik hier. Blub". "Ja," dacht de karper, "dat is allemaal leuk en aardig, maar ik wilde graag wat meer karpers om mij heen". En hij zei tegen de kikker. "Ik weet niet of er hier wel plaats voor je is. Een kikker kan hier niet zoveel doen, denk ik". "Nou," kwaakte de kikker, "ik ben erg goed in het omploegen van de bodem, en als ik zo eens rondkijk dan is dat hier hard nodig. Er groeit helemaal niets. Het is hier maar een saaie bende".
"Hmmm, aarzelde de karper, die niet beter gewend was, …als jij denkt dat er dan meer groeit…. Tja, je bent wel geen karper…. Dan moeten we het maar proberen". En de kikker begon met dat te doen waar hij goed in was.
Een paar maanden later zag de karper boven zich een waterslak die druk bezig was zich een weg te banen door de algen. "Tjonge, tjonge, zei de slak, wat een troebel water is dit". "Ja," zei de karper, die eigenlijk al vond dat het een mooi watertje aan het worden was "daar heb je wel gelijk in, maar daar moeten de kikker en ik maar mee leren leven.". "Da's maar de vraag," zei de slak, "ik kan het wel voor je opruimen, maar dat kost mij wel erg veel tijd".
Daar had de karper nog nooit aan gedacht. "Nou," aarzelde de karper "als jij denkt dat er dan meer groeit….Tjaa, je bent wel geen karper…. Dan moeten we het maar proberen". En de slak begon met dat te doen waar hij goed in was.
En op een dag hoorde de karper, de kikker en de slak een hoop geplons en gegraaf aan de andere kant van het water. Ze gingen er naar toe en zagen een bever die druk aan het werk was. "Tja," mompelde de bever "ik kom vanuit het andere bos en ben daar klaar met het bouwen van dammen en tunnels. Hier is nog een hoop te doen voor bevers zoals ik. Als ik klaar ben is hier een stuk meer te beleven, wat ik je brom"!
"Hmmm," aarzelde de karper "als jij denkt dat het hier dan nog prettiger wordt…. Tja…. Dan moeten we het maar proberen". En de bever begon met dat te doen waar hij goed in was.
En het laat zich natuurlijk raden hoe het verder gaat!
Iedereen deed wat hij kon. En de poel veranderde langzaam in een ven. Een mooi vennetje. Er kwam steeds meer leven in de brouwerij. Als je goed luisterde gonsde het van geluiden: blub, kwaak, zoem, plons. En op mooie zomeravonden, als de zon langzaam plaats maakte voor de maan, zag je de karper na de gedane arbeid rustig in het water liggen genieten. Hij had, met behulp van zijn vrienden, nog méér dan zomaar een ven gemaakt. En hij voelde zich de koning te rijk.

Tekst: Leontine van Hooft

naar boven

De mislukte fee

Annie M.G. Schmidt
 
“Er was er ’s een moeder-fee.
En had ze kindertjes? Ja, twee.
Twee kleine feeënkindertjes
met vleugeltjes als vlindertjes.
Ze waren beiden mooi en slank,
maar ‘t ene kind was lelieblank,
zoals de feetjes wezen moeten
en ‘t andere kind zat vol met sproeten.

De moeder was heel erg ontdaan.
Ze waste ‘t kind met levertraan,
met katjesdauw, met tijgermelk,
ze doopte ‘t in een bloemenkelk,
maar ‘t hielp geen steek, o nee, o nee,
het was en bleef een sproetenfee.

M’n dochter, zei de moeder toen,
nu kan ik niets meer aan je doen.
Je bent als fee (zacht uitgedrukt)
volledig en totaal mislukt.”

“Ga naar de koning Barrebijt
en zeg daar: Uwe Majesteit,
m’n moeder doet de groeten.
Ik ben een fee met sproeten.

Wellicht neemt koning Barrebijt
je dan in dienst als keukenmeid.
Die man heeft altijd wel ideeën
voor min of meer mislukte feeën.

Het feetje ging direct op weg.
Het sliep ’s nachts in de rozenheg
en ‘t prevelde de hele tijd:
O Sire, Uwe Majesteit,
m’n moeder doet de groeten.
Ik ben een fee met sproeten.

En toen ze aankwam in de stad
stond ze te trillen als een blad.
De koning opende de deur
en zei: Gedag, waar komt u veur?

En wit van zenuwachtigheid
zei ‘t feetje: Uwe Majesteit,
m’n moeder doet de groeten.
Ik ben een spree met foeten.

Wel, sprak de koning heel beleefd,
ik zie wel dat u voeten heeft,
maar u bent, op mijn oude dag,
de eerste spree die ik ooit zag.

Toen heeft hij dadelijk gebeld
en ‘t hele hof kwam aangesneld.
De koning zei: Dit is een spree.
Iets héél bijzonders. Geef haar thee
en geef haar koek. En geef haar ijs.
Ze blijft hier wonen in ‘t paleis.

Nu woont het feetje al een tijd
aan ‘t hof van koning Barrebijt
en niet als keukenmeid, o nee!
Ze is benoemd tot opperspree.

Ze heeft een gouden slaapsalet
en gouden muiltjes voor haar bed.
En alle heren aan het hof
die knielen voor haar in het stof.
Waaruit een ieder weer kan lezen
dat men als fee mislukt kan wezen
maar heel geslaagd kan zijn als spree.
Dit stemt ons dankbaar en tevree.”

naar boven

Credo for support

Zie mijn handicap niet als probleem
Erken mijn handicap als een eigenschap.

Zie mijn handicap niet als een defect.
Jij bent het, die mij als afwijkend en hulpeloos ziet.
Probeer me niet te repareren, want ik ben niet kapot.
Ondersteun me.
Ik kan op mijn eigen manier bijdragen aan de samenleving.

Zie me niet als je cliënt. Ik ben je naaste medeburger.
Zie me als je Buur. Onthoud: niemand staat op zichzelf.
Probeer niet mijn gedrag te veranderen.

Zwijg en luister.
Wat jij beschouwt als onaangepast gedrag,
kan de enige manier zijn
om te proberen contact met je te krijgen.

Probeer me niet te veranderen, je hebt het recht er niet toe.
Help me te leren wat ik wil weten.

Verberg je onzekerheid niet achter "professionele distantie".
Wees iemand die luistert,
en niet iemand die mijn worsteling wegneemt in een poging
het allemaal in orde te maken.
Pas geen theorieën en strategieën op mij toe.

Blijf bij me.
En wanneer we met elkaar overhoop liggen
Laat dat dan een moment voor zelfreflectie zijn.

Probeer me niet te beheersen.
Ik heb het recht mijn eigen lot te bepalen.
Wat in jouw ogen ongehoorzaamheid en manipulatie mag lijken
zou feitelijk wel eens de enige manier kunnen zijn waarop
ik enige controle over mijn eigen bestaan kan hebben.

Leer me niet gehoorzaam, onderdanig en beleefd te zijn.
Ik wil het recht hebben af en toe nee te zeggen
om mezelf te beschermen.

Geen liefdadigheid.
Het laatste dat deze wereld nodig heeft is een tweede Mies Bouwman.
Wees mijn bondgenoot tegen degenen
die me uitbuiten ter eigen glorie.

Probeer niet mijn vriend te zijn
Ik verdien beter dan dat.

Help me niet, zelfs niet als dat U zo'n fijn gevoel geeft.
Vraag of ik hulp nodig heb.
Laat mij je demonstreren hoe je me het beste kunt assisteren.

Bewonder me niet.
Het verlangen om een volledig leven te leiden
is geen motief voor bewondering.

Respecteer me, omdat respect evenwaardigheid veronderstelt.
Instrueer, corrigeer en leid me niet.
Luister, Support en Volg.
Werk niet aan me.
Werk met me.

Norman Kunc & Emma van der Klift
Vertaling Erwin Wieringa

naar boven